Open dag in stal Fijnheer te Lutjewinkel

advertentie

Met trots presenteerde een agrarische ondernemer in Lutjewinkel zijn nieuwe ligboxenstal. Tijdens de Open Dag op 19 oktober was het een drukte van belang op de ‘koegang’. Bedrijven die mee hadden gewerkt aan de totstandkoming van de moderne melkkoeienstal presenteerden zich met stands waarbij men informatie over allerlei noviteiten op het gebied van de veehouderij kreeg.

Up-to-date
De splinternieuwe stal biedt ruimte aan zo’n 80-100 melkkoeien. Allerlei technologische hoogstandjes maken het werk van de veehouder makkelijker en zorgen voor een hogere productie van melk. Zo is er een automatisch mestafvoer- systeem dat met een schuif de mest naar een verder gelegen put afvoert. De urine, vermengd met een hoeveelheid dunnere ontlasting wordt via een ingenieus drainagesysteem via de betonvloer onmiddellijk afgevoerd naar een kelder onder het gebouw. Hierdoor wordt uitstoot van ammoniak voorkomen. Een ‘voeraanschuifrobot’ zorgt ervoor dat het kuilgras zo komt te liggen dat de koe ervan kan eten. De hele inrichting is up-to-date. Een grote koeltank voor de opslag van melk completeert het geheel. De warmte die door het koelen van de melk vrijkomt zou zelfs gebruikt kunnen worden voor de verwarming van een woning, aldus een standhouder. Een directe melkleiding naar de Campina fabriek behoort ook tot de mogelijkheden, daar deze slechts enkele honderden meters van het bedrijf is gesitueerd.

Gemengd
Bij de melkstal stond een oudere man afkeurend zijn hoofd te schudden, waarbij hij mompelde een dergelijke stal niet te ambiëren. ‘Veel te groot en veel te duur’ volgens hem. Het was een agrariër die nog met de hand leerde melken en zijn werk op het land toen deed met behulp van paarden. Hij bezwoer me dat het beter was een ‘gemengd’ bedrijf te hebben. Hij vertelde ongeveer 100 hectare grond te bezitten, die inmiddels met hulp van zijn twee zoons worden bewerkt. Een groot gedeelte daarvan is grasland. Zijn veestapel van 50 koeien kan gemakkelijk gevoed worden met producten van het bedrijf zelf. Daarnaast worden aardappelen, suikerbieten en graszaad geteeld. ‘Mijn twee zoons verdienen er goed de kost mee’, aldus de 86-jarige door de zon getaande Noord-Hollander. In zijn bedrijf zul je geen technologische hoogstandjes aantreffen.
Melkveebedrijven in Nederland zijn in de loop van de tijd steeds groter geworden. Waren er in de jaren vijftig nog veel ‘keuterboertjes’ die met hun bedrijfjes in hun levensonderhoud konden voorzien, anno 2018 moet een levensvatbaar melkveebedrijf toch minstens zo’n 80 koeien groot zijn en een groot bedrag investeren in gebouwen en materiaal om het geheel te laten renderen.

Over rozen
Om de opbrengst te verhogen staan veehouders allerlei technieken en diensten ter beschikking. Veel hightech uitvindingen doen hun intrede in de agri-business. Een artikel in de krant kopte onlangs: ‘het leven van een melkkoe gaat over rozen’. En inderdaad, matrassen, luchtbedden en roterende koeborstels kunnen het leven van de koe wat veraangenamen.
Een koe moet ieder jaar kalven om haar melkproductie te kunnen voortzetten. Het liefst heeft de veehouder een kuikalf (vrouwelijk kalf) om na enige tijd een oudere melkkoe te kunnen vervangen. Bulletjes (mannelijke kalfjes) gaan naar een mesterij en worden na enige tijd geslacht. De koe kan met sperma worden bevrucht, waaruit de zaadcellen die zorgen voor mannelijke nakomelingen zoveel mogelijk worden verwijderd (gecentrifugeerd). De kans op een bulletje wordt zo geminimaliseerd.

Industriële melkveehouderij
Een melkveebedrijf met een paar honderd koeien geldt in Nederland al als mega-groot. Maar wat te denken van een melkveebedrijf met 105.000 rasechte Fries-Hollandse runderen in de onvruchtbare woestijn van Saoedi-Arabië? Een tot in de details doorgevoerde wetenschappelijk-technologische aanpak op een plek waar van nature nauwelijks iets groeit. Naast het bedrijf liggen grote arealen alfalfa en mais, waarvan de oogst het hele jaar door plaatsvindt en als veevoeder wordt gebruikt. De gewassen worden voortdurend besproeid. Het waterverbruik is dan ook gigantisch. Iedere koe heeft per dag zo’n 150 liter water nodig. Enkele keren per dag gaan de dieren onder een verkoelende douche, want de temperatuur kan daar oplopen tot rond de 40 graden Celsius. Al het benodigde water wordt vanuit een diepte van enkele honderden meters opgepompt en zo onttrokken aan het grondwater. Het brandstofverbruik is door de vele machines (tractoren en vrachtwagens) schrikbarend hoog. Er wordt 11.000 ton kunstmest per jaar op het akkerland gebracht. Je kunt het een gemengd bedrijf noemen. Zelf zegt het bedrijf, dat meerdere van zulke ‘stallen’ in de woestijn heeft gerealiseerd, duurzaamheid na te streven. Toch zal de grondwatervoorraad na verloop van tijd uitgeput zijn. De wereldwijde intensieve agribusiness blijkt erg dorstig. Van alle beschikbare drinkwater slokt zij 70% op. Het toch al lage grondwaterpeil ter plekke zal nog verder zakken. En dat is allesbehalve duurzaam.

Kringloop
Industriële veehouderijen putten de aarde uit en zullen tenslotte moeten verdwijnen. Dat is onontkoombaar. Bij minister Carola Schouten van Landbouw is dat inzicht ook doorgedrongen. Zij pleit voor ‘kringlooplandbouw’. Dat is een manier van ‘boeren’ die rekening houdt met de draagkracht van de natuur. Het oppompen van water uit grote diepte, het gebruik van grote hoeveelheden kunstmest en het importeren van veevoeder uit verafgelegen gebieden passen niet bij die manier van natuurvriendelijk boeren. De kringloop- of biologische boer is nagenoeg ‘selfsupporting’ en koopt geen dure kunstmest. Hij gebruikt de poep van zijn koeien. Bovendien onthoudt hij zich van stalontsmetting met pesticiden en onkruidbestrijding met bijvoorbeeld Roundup. De bewust biologische boer weet dat hij het tere biologische evenwicht in de natuur niet mag verstoren. De toekomst is aan de ‘kringloopboer’. Schouten heeft verstandige dingen gezegd maar moet ook nog bedenken hoe ze dat in de praktijk gaat brengen. Hopelijk blijft het niet alleen bij woorden…

Foto: Technologie verovert de intensieve melkveehouderij

Een bijdrage van: Kees Zwaan. Hollands Kroon

 

advertentie